Het principe van een elektromotor is relatief eenvoudig. Een mobiel onderdeel, de rotor, draait in de stator. Die laatste creëert een magnetisch of elektromagnetisch veld dat de rotor doet draaien. Die is verbonden met een as en brengt zo de wielen aan het draaien. Er zijn twee types elektromotoren: synchroon en asynchroon.

  • Synchroonmotor: de rotor is een magneet of elektromagneet die aan dezelfde snelheid als het elektrische veld draait.
  • Asynchroonmotor: de rotor bestaat uit ringen (de ‘kooi’) die op een andere plaats staan dan het magnetische veld. Hij draait dus niet aan dezelfde snelheid en is iets langzamer.

Asynchroonmotoren hebben het voordeel dat ze minder duur zijn, eenvoudiger te onderhouden en minder groot. Synchroonmotoren zijn sterker omdat er geen slip optreedt als gevolg van het snelheidsverschil van de rotor van een asynchroonmotor. De synchroonmotor gebruikt een permanente magneet, maar dat brengt het gebruik van zeldzame aardmetalen met zich mee. In het frame van een elektromagneet met koperwikkels worden daarentegen geen zeldzame aardmetalen gebruikt. In tegenstelling tot een permanente magneet heeft een elektromagneet elektriciteit nodig om het magnetisch veld op te wekken zoals in een asynchroonmotor.

Elektromotoren zijn “omkeerbaar”. Dat betekent dat ze bewegingsenergie kunnen omzetten in elektrische energie bij het vertragen om de batterij wat op te laden. Tot slot hebben ze het voordeel geen smeermiddelen nodig te hebben – dus geen oliewissels nodig – en dat ze een lange levensduur kennen.